claimen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • clai·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
claimen
claimde
geclaimd
zwak -d volledig

Werkwoord

claimen

  1. overgankelijk iets opeisen, aanspraak maken op iets
    • In 1979 claimde Sony de naam 'Walkman'. 
    • Na de verkiezingen claimden beide partijen de belangrijke ministerspost. 
  2. overgankelijk beweren
    • De fabrikant claimt een toename van het vermogen van bijna 10 procent. 
    • Het land claimt dat het uranium op grote schaal kan verrijken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.