chemicus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

chemicus aan het werk zoals de arbo-dienst het zou verbieden
chemicus zoals de arbo-dienst het wil
Uitspraak
Woordafbreking
  • che·mi·cus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord chemicus chemici
verkleinwoord chemicusje chemicusjes

Zelfstandig naamwoord

chemicus m

  1. (beroep) een wetenschapper die de chemie beoefent
    • Mijn overbuurman is chemicus en veroorzaakt regelmatig explosies in zijn schuurtje. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen