canard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·nard
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘loos bericht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord canard canards
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

canard m

  1. (media) bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
    • Een canard in een roddelblaadje. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  canard     le canard     canards     les canards  

Zelfstandig naamwoord

canard m

  1. (dierkunde) eend
  2. (dierkunde) woerd
  3. (spreektaal) krantje, (sensatie)blaadje [1]
  4. (spreektaal) in likeur gedoopt suikerklontje [1]
  5. (spreektaal) vals gerucht [1]
  6. (spreektaal) tortelduif, minnaar
    «Il passe tout son temps avec sa nana, celui-là, c’est un vrai canard
    Hij brengt al zijn tijd met zijn vrouw door, hij is een echte minnaar. [1]

Verwijzingen