kwakkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwak·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kwakkel kwakkels
verkleinwoord kwakkeltje kwakkeltjes

Zelfstandig naamwoord

kwakkel v/m

  1. (vogels) (verouderd) Coturnix coturnix op Wikispecies kwartel
    • Toen stak er een wind op, door de HEERE gezonden; die voerde kwakkels aan van de zee en strooide ze uit over de legerplaats[2]. 
  2. journalistieke misser, -vaak opzettelijk- onjuist bericht
    • Geloof die kwakkel toch niet! 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
kwakkelen

kwakkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakkelen
    • Ik kwakkel. 
  2. gebiedende wijs van kwakkelen
    • Kwakkel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakkelen
    • Kwakkel je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen