burger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[2] burger
Uitspraak
Woordafbreking
  • bur·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • inwoner van een versterkte plaats[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord burger burgers
verkleinwoord burgertje burgertjes

Zelfstandig naamwoord

burger m

  1. een inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    De burgers van de stad staken bij deze ramp zelf de handen uit de mouwen.
  2. (voeding) een aan een hamburger verwant schijfvormig gerecht dat wordt gebakken alvorens het eventueel wordt gegeten
  3. een politieman in burger: een politie agent in normale kleding (dus geen uniform)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie

Meer informatie