burger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[3] burger
Uitspraak
Woordafbreking
  • bur·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘inwoner van stad, lid van een staat’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]. Het Duitse woord 'Bürger' (=burger) is weer afgeleid van 'Burg' (=burcht), de plaats waar burgers verbleven en bescherming vonden.
  • inwoner van een versterkte plaats[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord burger burgers
verkleinwoord burgertje burgertjes

Zelfstandig naamwoord

burger m

  1. een inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    • De burgers van de stad staken bij deze ramp zelf de handen uit de mouwen. 
  2. een lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    • Door een aanval van de Afghaanse luchtmacht in de provincie Kunduz zijn mogelijk vijftig burgers om het leven gekomen.[3] 
  3. (voeding) een aan een hamburger verwant schijfvormig gerecht dat wordt gebakken en doorgaans met brood gegeten
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen