buitenlander

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·lan·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenlander buitenlanders
verkleinwoord buitenlandertje buitenlandertjes

Zelfstandig naamwoord

buitenlander m

  1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
    • - Zowel Belgen als buitenlanders moeten straks tolgeld betalen op de grote doorgaande wegen in Vlaanderen. 
    • - Je wordt wel steeds met de neus op het feit gedrukt dat je buitenlander bent.  [1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Kleuren in de spiegel
    Door Miep Kramer
    Uitgegeven door Assen : Van Gorcum, 1996 ISBN 9789023230465