buitenlander

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·lan·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenlander buitenlanders
verkleinwoord buitenlandertje buitenlandertjes

Zelfstandig naamwoord

buitenlander m

  1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
    - Zowel Belgen als buitenlanders moeten straks tolgeld betalen op de grote doorgaande wegen in Vlaanderen.
    - Je wordt wel steeds met de neus op het feit gedrukt dat je buitenlander bent. [1]
Synoniemen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Kleuren in de spiegel
    Door Miep Kramer
    Uitgegeven door Assen : Van Gorcum, 1996 ISBN 9789023230465

Meer informatie