buil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buil builen
verkleinwoord builtje builtjes

Zelfstandig naamwoord

buil

  1. m grote zeef voor het zeven van meel
  2. m zak of zakje met bijvoorbeeld thee of kruiden
  3. v / m (medisch) zwelling met het uiterlijk van een bobbel, bult
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
builen

buil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van builen
    Ik buil.
  2. gebiedende wijs van builen
    Buil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van builen
    Buil je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl