bult

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bult
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bobbel, bochel’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bult bulten
verkleinwoord bultje bultjes

Zelfstandig naamwoord

bult m

  1. een uitstulping op de huid
    • Nadat hij gevallen was op zijn hoofd, was er een grote bult ontstaan. 
  2. een uitstulping in het landschap
    • In Nederland wordt iedere bult in het landschap al snel een berg genoemd. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

eigen schuld, dikke bult

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bulten

bult

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van bulten
  2. gebiedende wijs van bulten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen