bult

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bult
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bult bulten
verkleinwoord bultje bultjes

Zelfstandig naamwoord

bult m

  1. een uitstulping op de huid
    Nadat hij gevallen was op zijn hoofd, was er een grote bult ontstaan.
  2. een uitstulping in het landschap
    In Nederland wordt iedere bult in het landschap al snel een berg genoemd.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

eigen schuld, dikke bult

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
bulten

bult

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van bulten
  2. gebiedende wijs van bulten
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl