gehoorzaamheid
Uiterlijk
- ge·hoor·zaam·heid
- afleiding van gehoorzaam met het achtervoegsel -heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gehoorzaamheid | gehoorzaamheden |
| verkleinwoord |
- de bevelen van het bevoegd gezag opvolgen
- De brave jongen kreeg een beloning voor zijn gehoorzaamheid op school.
- handelen in overeenstemming met het goddelijk gezag
- Hem gehoorzaam zijn was het hoogste gebod van de priester.
- Het woord gehoorzaamheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.