botsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
botsen
botste
gebotst
zwak -t volledig

Werkwoord

botsen

  1. (ergatief) met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
    Er botsten gisteren weer twee auto's frontaal tegen elkaar op de snelweg.
  2. (ergatief) in een conflict of ruzie geraken
    Zoals meestal botsten zij ook nu weer.
Uitdrukkingen en gezegden

[1] Op verzet botsen.

Vertalingen