botsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
botsen
botste
gebotst
zwak -t volledig

Werkwoord

botsen

  1. ergatief met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
    • Er botsten gisteren weer twee auto's frontaal tegen elkaar op de snelweg. 
  2. ergatief in een conflict of ruzie geraken
    • Zoals meestal botsten zij ook nu weer. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] Op verzet botsen.

Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

botsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bots