boelage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·la·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boelage -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boelage v

  1. (pejoratief) ongeoorloofd erotisch plezier
    • Het verhaal van de boelage van Mars en Venus (…) is typerend voor het primair-sexuele, voor de ongeremde hartstocht van de louter lichamelijke liefde. De overspelsituatie is daarvan duidelijke manifestatie. [2]
    • «Correctheid», is de vorm, waarin men vader en moeder vermoorden en allerlei misdrijven, misdaden en boelage begaan kan, en toch door-en-door fatsoenlijk blijft, zelfs in z'n recht. [3]
  2. (verouderd) erotisch plezier
    • Maar 't schijnt wel wie geen rust en waagt,
      kan kwalijk lust gewinnen.
      Of ik hem ook lichtvaardig von'
      en 't bleef in dit bosschage?
      Indien dit bosje klappen kon,
      wat meldde 't al boelage!
       [4]
  3. (verouderd) vrouw waarmee men buiten het huwelijk erotisch plezier heeft
Schrijfwijzen
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

9 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen