minnarij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·na·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord minnarij minnarijen
verkleinwoord minnarijtje minnarijtjes

Zelfstandig naamwoord

minnarij v

  1. de keer dat men elkaar liefheeft; het vrijen; het bedrijven van de liefde
  2. een (buitenechtelijke) liefdesrelatie
Synoniemen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
45 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be