boelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·len
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

[A] boelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boel

Werkwoord

[B] boelen

  1. (verouderd) boeleren, seksueel onethisch gedrag vertonen; in overspel leven
  2. (Suriname) (spreektaal) (pejoratief) homoseksuele (anale) seks bedrijven, homoseksuele handelingen plegen (door een man). [1]
  3. onovergankelijk (Suriname) (spreektaal) (pejoratief) homoseksueel zijn
     ‘Ow, wat leuk’, zei ze, en toen boog zij zich naar me toe en zei fluisterend: ‘maar pas op, hij boelt; hij heeft het zelf aan een paar leerlingen gezegd.’[2]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

37 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Jan van Donselaar “Woordenboek van het Surinaams-Nederlands” (1989), Dick Coutinho, Muiderberg, p. 80
  2. Bronlink Weblink bron Parbode “Boeler” (1 augustus 2013) op https://www.parbode.com
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be