boeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boeien
boeide
geboeid
zwak -d volledig

Werkwoord

boeien

  1. overgankelijk iemands vrijheid beperken door hem vast te binden aan hand of voet; in de boeien slaan
    • De corrupte politicus werd gearresteerd en geboeid weggevoerd. 
     En men stelde zich voor hoe de machtige Nicolaas, ieder jaar op zijn feestdag, de duivel in ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde.[1]
  2. overgankelijk iemands aandacht vasthouden
    • De leraar wist de kinderen maar niet te boeien. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

boeien mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boei

Tussenwerpsel

boeien

  1. (informeel) niet interessant
    • Ja boeien, daar heb ik geen zin in. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14