billijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bil·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen billijk billijker billijkst
verbogen billijke billijkere billijkste
partitief billijks billijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

billijk

  1. redelijk, rechtvaardig, eerlijk, een niet te hoge of te lage prijs
    • Hij verkocht die lamp voor een billijke prijs. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
billijken

billijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van billijken
    • Ik billijk. 
  2. gebiedende wijs van billijken
    • Billijk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van billijken
    • Billijk je? 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen