billijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bil·lij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
billijken
/ˈbɪləkə(n)/
billijkte
/ˈbɪləktə/
gebillijkt
/ɣəˈbɪləkt/
zwak -t volledig

Werkwoord

billijken

  1. overgankelijk goedkeuren of toestaan
    • Ik kan het gedrag van die jongen niet billijken. 
     Dat ze partij voor haar man trok, was te billijken.[1]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be