applaus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ap·plaus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘handgeklap’ voor het eerst aangetroffen in 1859 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord applaus applausen
applauzen
verkleinwoord applausje applausjes

Zelfstandig naamwoord

applaus o

  1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
    • Hij werd met een daverend applaus ontvangen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen