bibliothecaris

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·blio·the·ca·ris
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘beheerder van bibliotheek’ voor het eerst aangetroffen in 1682 [1]
  • afgeleid van bibliotheek met het achtervoegsel -aris
enkelvoud meervoud
naamwoord bibliothecaris bibliothecarissen
verkleinwoord bibliothecarisje bibliothecarisjes

Zelfstandig naamwoord

bibliothecaris m

  1. (beroep) beheerder van een bibliotheek
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen