bestijgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bestijgen bestijgend
bestijging bestegen


Woordafbreking
  • be·stij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestijgen
besteeg
bestegen
klasse 1 volledig

Werkwoord

bestijgen

  1. overgankelijk bovenop iets zien te geraken
    • Hij nam ook deel aan het feest, dat werd gegeven toen het Paleis weer helemaal in zijn vroegere glorie was hersteld en Koning Palet zijn oude troon weer kon bestijgen. [1] 
    • Deze berg werd pas in de jaren vijftig voor het eerst bestegen. 
  2. de troon ~ vorst of vorstin worden
  3. paarden etc. de geslachtsdaad uitvoeren
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 114