bestijgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bestijgen bestijgend
bestijging bestegen
Woordafbreking
  • be·stij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestijgen
besteeg
bestegen
klasse 1 volledig

Werkwoord

bestijgen

  1. (overgankelijk) bovenop iets zien te geraken
    Deze berg werd pas in de jaren vijftig voor het eerst bestegen.
  2. de troon ~ vorst of vorstin worden
  3. paarden etc. de geslachtsdaad uitvoeren
Vertalingen