beslag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·slag
enkelvoud meervoud
naamwoord beslag beslagen
verkleinwoord beslagje beslagjes

Zelfstandig naamwoord

beslag o

  1. (juridisch) beslaglegging, inname van goederen van rechtswege, confiscatie
    De televisie wordt in beslag genomen.
  2. (kookkunst) vloeibaar deeg (mengsel van een vaste stof, zoals meel of kalk, met een vloeistof)
    Oma heeft weer beslag gemaakt voor oliebollen.
  3. (bouwkunde) kleine metalen elementen zoals krukken, knoppen, schilden, rozetten, sleutelgatplaatjes op deur of raam (Hang-en-sluitwerk)
    Het beslag werd als een stelpost in de begroting opgenomen.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: beslag leggen op iets
iets confisqueren
  • [3]: zijn beslag krijgen
gerealiseerd worden
Vertalingen

Meer informatie