beslag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
beslag [3]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·slag
enkelvoud meervoud
naamwoord beslag beslagen
verkleinwoord beslagje beslagjes

Zelfstandig naamwoord

beslag o

  1. (juridisch) beslaglegging, inname van goederen van rechtswege, confiscatie
    De televisie wordt in beslag genomen.
  2. (kookkunst) vloeibaar deeg (mengsel van een vaste stof, zoals meel of kalk, met een vloeistof)
    Oma heeft weer beslag gemaakt voor oliebollen.
  3. (bouwkunde) kleine metalen elementen zoals krukken, knoppen, schilden, rozetten, sleutelgatplaatjes op deur of raam (Hang-en-sluitwerk)
    Het beslag werd als een stelpost in de begroting opgenomen.
  4. iets krijgt zijn beslag: iets wordt officieel
    In de loop van de week kreeg het nieuwe verdrag zijn beslag
  5. door iets of iemand in beslag genomen worden: heel druk bezig zijn met iets waardoor je nergens anders tijd voor hebt
    Hij werd zo door zijn werk in beslag genomen dat hij geen tijd meer had voor zijn vrouw.
  6. ruimte of tijd in beslag nemen: iets kost tijd of ruimte
    Deze ruimte is vanmiddag in beslag genomen door de vergadering.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: beslag leggen op iets
iets confisqueren
  • [3]: zijn beslag krijgen
gerealiseerd worden
Vertalingen


Meer informatie