embargo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • em·bar·go
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘beslaglegging’ voor het eerst aangetroffen in 1808 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord embargo embargo's
verkleinwoord embargootje embargootjes

Zelfstandig naamwoord

embargo o

  1. (politiek) beslaglegging op schepen
  2. (politiek) (handel) verhindering van vrij internationaal goederenverkeer, handelsembargo, handelsverbod, boycot
    • „Ik vertrouw het beleid van de Verenigde Staten niet en ik heb geen woord met ze gewisseld, maar dat betekent niet dat ik een vreedzame oplossing van de conflicten afwijs”, schreef hij. Het daadwerkelijke wegvallen van het Amerikaanse embargo, en de ongetwijfeld grote gevolgen voor zijn land, heeft de leider van de Cubaanse revolutie niet meer mogen meemaken.[3] 
  3. verbod aan de media om berichten voor een bepaalde datum of tijdstip te publiceren, nieuwsembargo
    • De Franse uitgever mopperde even later dat het museum een embargo had geschonden en met zijn statement „het feest had verpest”. Bogomila Welsh-Ovcharov (77), de Canadese ontdekker van het schetsboek, sloeg met een vuist op tafel. „Als ik zeg dat iets een Van Gogh is, dan is het een Van Gogh.”[4] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • em·bar·go
enkelvoud meervoud
embargo embargos

Zelfstandig naamwoord

embargo m

  1. beslag, beslaglegging, embargo

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
embargar

embargo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van embargar