berisping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ris·ping
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van berispen met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord berisping berispingen
verkleinwoord berispinkje berispinkjes

Zelfstandig naamwoord

berisping v

  1. een strenge afkeuring van gedrag
    • De arts kreeg een berisping van het tuchtcollege. 
     Een mengelmoes van berispingen, ontkenningen en verwensingen die zowel fluisterend als luidkeels werden uitgesproken.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be