beleg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
beleg van een stad [1]
[2] Kaas als beleg.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·leg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beleg beleggen
verkleinwoord belegje belegjes

Zelfstandig naamwoord

beleg o

  1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
    • Bij het beleg van Leningrad door de nazi's (van 8 september 1941 tot 27 januari 1944) kwamen ongeveer 1 miljoen burgers om. [2] 
  2. voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
    • Kaas is mijn favoriete beleg. 
  3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beleggen

beleg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beleggen
    • Ik beleg. 
  2. gebiedende wijs van beleggen
    • Beleg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beleggen
    • Beleg je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. wikipedia