beleggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beleggen
belegde
belegd
zwak -d volledig

Werkwoord

beleggen

  1. overgankelijk geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren
  2. overgankelijk (scheepvaart) een scheepstouw vastmaken, vastsjorren
  3. overgankelijk het toevoegen van (boter en) beleg aan een snee brood, zodat deze een boterham wordt (bedekken door er iets op te leggen)
    • Nu we wat meer geld verdienen willen we onze boterham met wat meer beleggen dan alleen maar tevredenheid. 
  4. bijeenroepen, houden
    • Ongeveer eens in de twee maanden wordt een vergadering belegd 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

beleggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord beleg
  2. de actie van het beleg op een boterham doen
    • Het beleggen van de boterhammen liet hij aan zijn moeder over. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie