bekwaam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·kwaam
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bekwaam bekwamer bekwaamst
verbogen bekwame bekwamere bekwaamste
partitief bekwaams bekwamers -

Bijvoeglijk naamwoord

bekwaam

  1. (van een persoon) in staat om bepaalde taken goed uit te voeren; competent, capabel, kundig
    De bekwame arts wist de patiënt goed te behandelen.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bekwamen

bekwaam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekwamen
    Ik bekwaam.
  2. gebiedende wijs van bekwamen
    Bekwaam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekwamen
    Bekwaam je?