beheer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·heer
enkelvoud meervoud
naamwoord beheer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

beheer o

  1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
    • Hij stond in voor het beheer van haar juwelen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beheren

beheer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beheren
    • Ik beheer. 
  2. gebiedende wijs van beheren
    • Beheer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beheren
    • Beheer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie