beheer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·heer
enkelvoud meervoud
naamwoord beheer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

beheer o

  1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
    Hij stond in voor het beheer van haar juwelen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beheren

beheer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beheren
    Ik beheer.
  2. gebiedende wijs van beheren
    Beheer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beheren
    Beheer je?