begonia

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·go·nia
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1874 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord begonia begonia's
verkleinwoord begoniaatje begoniaatjes

Zelfstandig naamwoord

begonia v/m

  1. (plantkunde) Begonia op Wikispecies, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie.
    • Alexander was net als ik altijd thuis. Hij had voor zijn deur een kleine patio omgetoverd tot een plantenparadijs. Iedere morgen als ik mijn gordijnen opendeed gaf hij daar zijn begonia's en fresia's water. Hij had zes kerstbomen, die met Pasen vol hingen met felgekleurde eitjes. [2] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen