begijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
In tegenstelling tot kloosterzusters heeft een begijn niet de gelofte van armoede afgelegd.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gijn
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘lid van bepaalde kloosterlijke lekengemeenschap’ voor het eerst aangetroffen in 1266 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord begijn begijnen
verkleinwoord begijntje begijntjes

Zelfstandig naamwoord

begijn v [3]

  1. vrouw die, zonder een kloostergelofte af te leggen, met anderen gemeenschappelijk als geestelijke zuster leefde (vanaf begin der 13de eeuw), lekenzuster
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen