Naar inhoud springen

slager

Uit WikiWoordenboek
  • sla·ger
enkelvoud meervoud
naamwoord slager slagers
verkleinwoord slagertje slagertjes

deslagerm

  1. (beroep) een verkoper van vlees
    • Hij is naar de slager voor gehakt. 
     Het dorpsplein was leeg en de luiken van het café op de hoek waren dicht; de kerk was nog steeds een zwart geraamte; de slager was gesloten; in de school en de bijgebouwen geen enkel teken van leven.[3]
     'Want nu verkopen we onze schilderijen om de slager te betalen.[4]#(beroep) een slachter
    • Pas op voor die slager! 
  2. een wreed mens
    • Die slager is erg gevaarlijk. 
  3. (informeel) chirurg
    • Ik moet morgen nog naar de slager. 
  • een slager die zijn eigen vlees keurt
    een direct belanghebbende die in zijn eigen belang oordeelt. Zie ook WC-Eend.
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]