aufbauschen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • auf·bau·schen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse werkwoord buschen met het voorvoegsel auf-.
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aufbauschen
bauschte auf
hat aufgebauscht
zwak volledig

Werkwoord

aufbauschen

  1. (overgankelijk) opblazen (vullen met lucht)
  2. (overgankelijk) bollen, opbollen, opzwellen, uitdijen, zwellen
  3. (overgankelijk) (om een zeil) bol staan
  4. (overgankelijk), (figuurlijk) aandikken, chargeren, opblazen, opkloppen, opschroeven, overdrijven (iets overdreven voorstellen)
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen