sich aufbauschen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Woordafbreking
  • auf·bau·schen
Woordherkomst en -opbouw

Samenstelling van sich en aufbauschen.

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sich aufbauschen
bauschte sich auf
hat sich aufgebauscht
zwak volledig

Werkwoord

sich aufbauschen

  1. wederkerend zich opblazen
  2. wederkerend zich bollen, zich opbollen
  3. wederkerend, (figuurlijk) zich opblazen
Verwante begrippen