allegaartje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·le·gaar·tje
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord allegaartje allegaartjes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

allegaartje o [2]

  1. een bonte verzameling, een verzameling van zeer ongelijke mensen of zaken
    • ongevaarlijk groepje dwarsliggers”, schreef onze correspondent Juurd Eijsvoogel eerder. Dat veranderde toen een van hen in oktober vorig jaar het vuur opende op vier leden van een speciale politie-eenheid. Een van die agenten overleed een dag later aan zijn verwondingen. Eijsvoogel schreef daar daags nadien over: “Het incident heeft opeens de aandacht gevestigd op deze wonderlijke beweging, die hoogstens enkele duizenden volgelingen heeft. Het is een allegaartje van querulanten, fantasten, complotdenkers, schimmige zakenlui en mensen met extreemrechtse ideeën, aldus een recente analyse van de Beierse overheid.”[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen