soepzootje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • soep·zoot·je
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord soepzootje soepzootjes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

soepzootje o [2]

    • ' Wij redden ons zelf best wel,' zei Piggy. 'Zij zijn zo stom dat ze d'r 'n soepzootje van maken op dit eiland. We gaan 'n klein, warm vuurtje maken...' [3] 
    • Historische Oekraïense verkiezingen worden wellicht soepzootje (maar kunnen veel veranderen) [4] 
    • Ook is er een Wim, die steeds moppert omdat de Italianen er zo’n soepzootje van maken. De ouderen zijn vitaal en reislustig, maar ook een beetje kneuterig. Zodra een camping 6 ampère biedt, huilen de kruimeldieven en gaan de broodbakmachines aan. Op markten vergapen ze zich aan tonijnen en zwaardvissen zo groot als kleuters, maar dan eten ze toch een bammetje onder de luifel. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. soepzootje op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Golding, William De heer der vliegen vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema [2011] ISBN 978-90-5965-388-7 pagina 150
  4. de Standaard 25/oktober/2015 door svg
  5. Tubantia 30-augustus-2014