afwateren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wa·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwateren
waterde af
afgewaterd
zwak -d volledig

Werkwoord

afwateren

  1. overtollig water afvoeren
    • Het dak waterde via een regenpijp af naar de regenput. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie