afslachten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
afslachten afslachtend
afslachting afgeslacht


Woordafbreking
  • af·slach·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afslachten
slachtte af
afgeslacht
zwak -t volledig

Werkwoord

afslachten

  1. overgankelijk een populatie door slachting drastisch in aantal verminderen
    • Een deel van de veestapel moest afgeslacht worden om de besmettelijke ziekte in te dammen. 
  2. overgankelijk een massamoord aanrichten
    • De overwonnen stam werd meedogenloos afgeslacht. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.