afrekenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·re·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afrekenen
rekende af
afgerekend
zwak -d volledig

Werkwoord

afrekenen

  1. inergatief een aankoop of schuld betalen
    • Ober, ik zou graag willen afrekenen. 
  2. iets of iemand genoegdoening geven voor geleverde diensten en aangedaan leed zodat men weer met een schone lei kan beginnen
    • De boze man eiste volledig af te rekenen met het verleden .
Vaste voorzetsels
  • afrekenen met
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie