afdragen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dra·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdragen
droeg af
afgedragen
klasse 6 volledig

Werkwoord

afdragen

  1. overgankelijk door dragen afslijten
    • Die kleren waren helemaal afgedragen. 
  2. overgankelijk overdragen
    • Hij moest veel geld aan de belasting afdragen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.