achternicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·nicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achternicht achternichten
verkleinwoord achternichtje achternichtjes

Zelfstandig naamwoord

achternicht v

  1. (familie) de [dochter]] van een neef, nicht, oudoom of oudtante
    • Anna is mijn achternicht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen