aanvaller

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·val·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvaller aanvallers
verkleinwoord aanvallertje aanvallertjes

Zelfstandig naamwoord

aanvaller m

  1. iemand of iets die aanvalt
    Duitsland was in de Tweede Wereldoorlog de aanvaller.
  2. (sport) een persoon in de voorste linie
    De aanvaller is vaak de speler die de meeste doelpunten maakt.
Antoniemen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

aanvaller

  1. (ook (sport)) aanvaller