aanstekelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ste·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanstekelijk aanstekelijker aanstekelijkst
verbogen aanstekelijke aanstekelijkere aanstekelijkste
partitief aanstekelijks aanstekelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

Bijwoord

aanstekelijk

  1. gemakkelijk op anderen overgaand
    • (bijwoord) Hij kon heel aanstekelijk lachen waardoor iedereen in de klas ook moest gaan lachten. 
    • (bijvoeglijk naamwoord) Hij had een aanstekelijke lach waardoor iedereen in de klas ook moest gaan lachen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.