aansluiting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·slui·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aansluiting aansluitingen
verkleinwoord aansluitinkje aansluitinkjes

Zelfstandig naamwoord

aansluiting v

  1. verbinding
    • Het jonge meisje vond snel aansluiting bij haar collega's. 
    • Ik heb een aansluiting op het internet via de telefoonlijn. 
  2. overstapmogelijkheid
    • Ik heb de aansluiting met de bus gemist. 
  3. het overgaan tot
  4. in aansluiting bij/aan: aansluitend bij
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be