aansluiting

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·slui·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aansluiting aansluitingen
verkleinwoord aansluitinkje aansluitinkjes

Zelfstandig naamwoord

aansluiting v

  1. verbinding
    Het jonge meisje vond snel aansluiting bij haar collega's.
    Ik heb een aansluiting op het internet via de telefoonlijn.
  2. overstapmogelijkheid
    Ik heb de aansluiting met de bus gemist.
  3. het overgaan tot
    In aansluiting op de openingsceremonie konden we genieten van de openingswedstrijd.
  4. in aansluiting bij/aan: aansluitend bij
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen