rommelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rom·me·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rommelen
rommelde
gerommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

rommelen

  1. aanklooien, zonder plan of doel maar wat bezig zijn
    Hij rommelde wat in de schuur in afwachting van het belangrijke telefoontje.
  2. laag geluid maken
    De donder rommelde wat in de verte.