rommelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rom·me·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘een dof geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1461 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rommelen
rommelde
gerommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

rommelen

  1. aanklooien, zonder plan of doel maar wat bezig zijn
    • Hij rommelde wat in de schuur in afwachting van het belangrijke telefoontje. 
     Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.[2]
  2. laag geluid maken
    • De donder rommelde wat in de verte. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen