rommelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rom·me·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rommelen
rommelde
gerommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

rommelen

  1. aanklooien, zonder plan of doel maar wat bezig zijn
    • Hij rommelde wat in de schuur in afwachting van het belangrijke telefoontje. 
  2. laag geluid maken
    • De donder rommelde wat in de verte. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.