aanmatiging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ma·ti·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanmatiging aanmatigingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanmatiging v [1]

  1. de daad waardoor men laat zien zich beter te voelen dan anderen, die men dan ook als minderwaardig beschouwd
    • Sentimentaliteit van een oude man? Nee, een literair trucje: aanmatiging verpakt in een doffe hartenklop, want zíjn hart zal hij niet ontbloten. Wel onthullend, want sentimentaliteit geeft altijd bloot wat men ermee wil verhullen.[2] 
    • „Duitsland moet lessen trekken uit de recente geschiedenis, vooral uit de vluchtelingencrisis van 2015. Een solistische politiek, een Alleingang, mag zich niet meer voordoen. We moeten alle voor Europa belangrijke besluiten nauw afstemmen in de EU. De toon van morele aanmatiging die in Duitsland in 2015 en 2016 werd aangeslagen, vonden veel Europeanen heel irritant; terecht. Een Bondsdaglid van de Groenen beweerde in september 2015 dat wij wereldkampioen hulpverlening en mensenliefde waren. Zulke formuleringen grenzen aan morele arrogantie.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Hafid Bouazza 10 november 2017
  3. NRC Juurd Eijsvoogel 17 februari 2017