aalglad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aal·glad
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aalglad (aalgladder) (aalgladst)
verbogen aalgladde (aalgladdere) (aalgladste)
partitief aalglads aalgladders -

Bijvoeglijk naamwoord

aalglad

  1. (intensief) zo glad als een aal, of een paling, glibberig
  2. (intensief) sluw, geslepen
    • Iemand die smoesjes vertelt en zich overal uit weet te praten heet aalglad te zijn. 
    • De aalgladde verkoper smeerde de klant een waardeloos product aan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders
79 % van de Vlamingen.