Keller

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

enkelvoud meervoud
nominatief der Keller die Keller
genitief des Kellers der Keller
datief dem Keller den Kellern
accusatief dem Keller die Keller

Zelfstandig naamwoord

Keller m

  1. kelder




Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Kel·ler
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Duitse zelfstandige naamwoord Keller
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Keller der Keller
datief me Keller em Keller
accusatief en Keller der Keller

Zelfstandig naamwoord

Keller, m

  1. (bouwkunde), (landbouw) ploeg
    «Wann all die Grummbiere uffgelese sin, gehne sie in em Keller fer es Winder.»
    Als alle aardappelen werden geplukt zijn, komen ze in de kelder om te overwinteren.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen