Naar inhoud springen

Hund

Uit WikiWoordenboek
Een hond (buldog, bullenbijter)
  • Hund

Hund m

  1. (roofdieren) hond
  • Hund
  • Afkomstig van het Oudhoogduitse zelfstandige naamwoord hunt
  • Naar frequentie 608
enkelvoud meervoud
nominatief der Hunddie Hunde
genitief des Hundes
des Hunds
der Hunde
datief dem Hund
dem Hunde
den Hunden
accusatief den Hunddie Hunde

Hund, m

  1. (roofdieren) hond
    «Vorsicht, bissiger Hund
    Opgepast voor de hond!
  2. (dierkunde) hondachtige dieren
  3. (scheldwoord) een scheldwoord in een samenstelling mit het zelfstandige naamwoord "hund"
  4. (figuurlijk) in verschillende woorden met betrekking tot de werkelijke of imaginaire karakteristieken van honden
  • Hund
  • Afkomstig van het Oudhoogduitse zelfstandige naamwoord hunt
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Hundder HundHund
Hunde
die Hund
Hunde
datief em Hundme HundHund
Hunde
de Hund
Hunde
accusatief en Hunddie HundHund
Hunde
die Hund
Hunde

Hund, m

  1. (roofdieren) Canidae op Wikispecies, hond
    «Fer vier Yaahre hawwich ken Hund in mei Lewe ghatt.»
    Vier jaar lang heb ik geen hond in mijn leven gehad.
  • Der Hund blafft.
De hond blaft.
  • Kummt mer iwwer der Hund, so kummt mer iwwer der Schwans.
Komt men over de hond, dan komt men over de staart. (We hebben de grootste moeilijkheid overwonnen, de rest is maar een kleinigheid.)
  • uff der Hund kumme
in slechte (externe of gezondheids-) omstandigheden komen
  • Zie Wikipedia voor meer informatie. (in het Pennsylvania Duits)

Hund

  1. mannelijk meervoud van Hund