fantaseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fan·ta·se·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fantaseren
fantaseerde
gefantaseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

fantaseren

  1. dagdromen, dingen verzinnen die (nog) niet waar zijn
    • Hij fantaseerde over het mooie leven dat hij zou gaan leiden met zijn vrouw. 
    • De creatieve schrijver fantaseerde het ene na het andere sprookjesverhaal. 
     Al dagen fantaseerde ik wat ik zou gaan bestellen: een dubbele hamburger met kaas, augurken en ketchup en hopelijk hadden ze ook mayo voor bij de friet. Het water liep me spontaan in de mond als ik dacht aan een vanille milkshake en cola met ijs.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be