dommelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dom·me·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dutten’ voor het eerst aangetroffen in 1685 [1]
  • [2] [3] [4]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dommelen
dommelde
gedommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

dommelen

  1. inergatief half in slaap zijn
    • Na het eten zaten opa en oma wat te dommelen onder de luifel. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen