zever
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ze·ver
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zeveren |
zever
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
- Ik zever.
- gebiedende wijs van zeveren
- Zever!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
- Zever je?
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zever | zevers |
| verkleinwoord | zevertje | zevertjes |
Zelfstandig naamwoord
zever
- iemand die schier eindeloos over onbelangrijke details blijft praten
- Ik krijg echt die kriebels van die zever!