invoer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·voer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | invoer | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- het invoeren
- hoeveelheid ingevoerde goederen (vanuit het buitenland)
- (techniek) toevoer van energie of informatie aan een systeem
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
- herinvoering, invoerbelasting, invoerbepaling, invoerder, invoerheffing, invoering, invoerkeuring, invoerrecht, invoerveld
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| invaren |
invoer
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van invaren
- ... dat ik invoer.
- ... dat jij invoer.
- ... dat hij, zij, het invoer.
- ... dat ik invoer.
| vervoeging van |
|---|
| invoeren |
invoer
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van invoeren
- ... dat ik invoer.