invoer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·voer
enkelvoud meervoud
naamwoord invoer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

invoer m [1]

  1. het invoeren
  2. hoeveelheid ingevoerde goederen (vanuit het buitenland)
  3. (techniek) toevoer van energie of informatie aan een systeem
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal


Werkwoord

vervoeging van
invaren

invoer

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van invaren
    ... dat ik invoer.
    ... dat jij invoer.
    ... dat hij, zij, het invoer.
vervoeging van
invoeren

invoer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van invoeren
    ... dat ik invoer.