invoer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- in·voer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| invaren |
invoer
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van invaren
- ... dat ik invoer.
- ... dat jij invoer.
- ... dat hij, zij, het invoer.
- ... dat ik invoer.
| vervoeging van |
|---|
| invoeren |
invoer
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van invoeren
- ... dat ik invoer.